Leerstofonderdelen voor de
toetsenperiodes :
WISKUNDE
A.Getallenkennis
1. Natuurlijke getallen in de realiteit.
2. Natuurlijke getallen voorstellen in een tabel, lezen
en noteren.
3. Natuurlijke getallen aanduiden op een getallenas.
4. De lege getallenlijn als werkinstrument.
5. Een natuurlijk getal anders schrijven.
6. Kommagetallen in de realiteit.
7. Kommagetallen voorstellen in een tabel, lezen en
noteren.
8. Kommagetallen aanduiden op een getallenas.
9. De lege getallenlijn als werkinstrument.
10. Een kommagetal anders schrijven.
11. Breuken in de realiteit.
12. Een breuk voorstellen, lezen en noteren.
13. Breuken situeren op een getallenas.
14. De lege getallenlijn als werkinstrument.
15. Een breuk nemen van een geheel of van een getal.
16. Het geheel berekenen.
17. Een breuk anders schrijven.
18. Stambreuken.
19. Gelijkwaardige breuken.
20. Breuken vereenvoudigen.
21. Gelijknamige breuken.
22. Breuken groter dan 1.
24. Breuken vergelijken.
25. Percenten in de realiteit.
26.Percenten lezen en noteren.
27. Percent berekenen.
28. De relatie breuk-kommagetal-percent.
31. Afronden
32.Schatten.
33. Veelvouden.
34. Tabellen en grafieken.
35. Gemiddelde en mediaan.
36. Kenmerken van deelbaarheid (enkel 6de)
36. Kenmerken van deelbaarheid (enkel 6de)
B.1.Bewerkingen
– hoofdrekenen.
1. De natuurlijke getallen optellen.
2. De natuurlijke getallen aftrekken.
3. De natuurlijke getallen vermenigvuldigen.
4. De natuurlijke getallen delen.
5. Kommagetallen optellen.
6. Kommagetallen aftrekken.
7. Kommagetallen vermenigvuldigen.
8. Kommagetallen delen.
9. Bijzondere vermenigvuldigingen.
10. Bijzondere delingen.
11. Optellen met breuken.
12. Aftrekken met breuken.
13. Vermenigvuldigen met breuken.
B.2.Bewerkingen
– cijferen.
1. Schatten bij optellen.
2. Cijferend optellen.
3. Schatten bij aftrekken.
4. Cijferend aftrekken.
5. Schatten bij vermenigvuldigen.
6. Cijferend vermenigvuldigen.
7. De zakrekenmachine.
8. Rekenen met de ZRM.
B.3.Bewerkingen
– toepassingen.
1. Inkoopprijs – verkoopprijs – winst – verlies.
2. Koopjes en korting.
3. Kapitaal – rente – interest.
C.Meten
en metend rekenen.
1. maat, maatgetal, maateenheid.
2. maateenheden voor lengte.
3. Een lengte meten en noteren.
4. Referentiematen en referentiepunten voor lengte.
5. Maateenheden voor inhoud.
6. Een inhoud meten en noteren.
7. Referentiematen en referentiepunten voor inhoud.
8. Maateenheden voor gewicht.
9. Een gewicht meten en noteren.
10. Referentiematen en referentiepunten voor gewicht.
11. Maateenheden voor oppervlakte.
12. Een oppervlakte noteren.
13. Referentiematen en referentiepunten voor oppervlakte.
14. De oppervlakte van een rechthoek en vierkant.
16. De oppervlakte van een parallellogram.
17. De oppervlakte van een driehoek.
18. De oppervlakte van een ruit.
19. De oppervlakte van een trapezium (enkel 6de).
20. De oppervlakte van een cirkel (enkel 6de).
21. De oppervlakte berekenen door omstructureren.
(a,b,c,d)
22. De oppervlakte van een kubus. (enkel 6de)
23. De oppervlakte van een balk. (enkel 6de)
24. Landmaten voor oppervlakte.
25. Maateenheden voor volume.
26. Een volume noteren.
27. Referentiematen en referentiepunten voor volume.
28. Het volume van een balk, kubus. (enkel 6de)
29. Muntstukken en bankbiljetten.
30. Geldwaarden en hun symbolen noteren en lezen.
31. Betalen en teruggeven.
32. Soorten hoeken.
33. Hoekgrootte meten en noteren.
D.Meetkunde.
1. Punten, lijnen en vlakken.
2. Hoekbegrip.
3. Vlakke figuren : veelhoeken en niet-veelhoeken.
4. Regelmatige veelhoeken;
5. Vierhoeken : indeling.
6. Vierhoeken tekenen.
7. Diagonalen.
8. Driehoeken : indeling.
9. Driehoeken tekenen.
10.Regelmatige veelhoeken construeren.
11. De cirkel.
12. Lichamen (ruimtefiguren).
13.Evenwijdigheid.
14. Loodrechte stand.
15. Evenwijdigen en loodrechten tekenen met de
geodriehoek.
16. Spiegelingen.
17. Patronen.
18. Plaatsbeschrijving : windstreken en
tussenwindstreken.
19. Plaatsbeschrijving : Oriëntatie op een kaart.
20. Zich mentaal verplaatsen in de ruimte.
21. Kijklijnen op een schets of foto.
22. Kijklijnen op een plan of plattegrond.
NEDERLANDS
1. Zinnen verdelen.
2. Alinea’s.
3. Woordverklaringen van woordpakketten.
4. Sleutelwoorden.
5. Mindmappen (zelf maken, omstructureren in tekst)
6. Begin- en eindaanhaling, leestekens.
7. Hoofdlettergebruik.
8. De tegenwoordige en de verleden tijd.
9. Spelling : woordpakketten 1 t.e.m. 12 : zinnendictee.
10. Oorzaak-gevolg.
11. Vergelijkingen.
10. Oorzaak-gevolg.
11. Vergelijkingen.
W.O.
1. De middeleeuwen
2. De oudheid (werkstuk)
3. De nieuwe tijd (Christoffel Colombus) (werkstuk
Samuël)
4. België (werkstuk Hermione)
5. Reliëfvormen
6. Reliëfgebieden van België. (met atlas)
7. zeeën, oceanen, gebergten, waterlopen van de wereld.
(zonder atlas)
8. Landen in Europa en hun hoofdsteden kunnen aanduiden
op een kaart van Europa. (met atlas)
9. Landschapskenmerken.
10. Bomen en planten kunnen determineren en hun
aanpassing aan het milieu kunnen verklaren.
11. Dieren en hun leefomgeving.
12. Kinderrechten.
13. Democratie.
14. Bestuur van België.
15. Wie was Nelson Mandela, Fidel Castro, Johan Sebastian
Bach, Marie en Pierre Curie, …+ kunnen situeren in een periode. (prehistorie,
oudheid, middeleeuwen, nieuwe tijden, onze tijd)
16. Verlichting.
17. Wereldorganisaties.
17. Wereldorganisaties.
Frans
1. Lezen : alle dialogen van 1 t.e.m.5 vlot kunnen lezen.
(t.e.m. 6 voor het 5de)
2. Spreken : eenvoudige conversaties voeren a.d.h.v. ‘les
pistes pour parler’.
3. Luisteren : luistertest
4. Schrijven : - 5de : module 1 t.e.m.6
- 6de
: module 1 t.e.m. 5.
Maandag
13/1
|
Dinsdag
14/1
|
Woensdag
15/1
|
Donderdag
16/1
|
Vrijdag
17/1
|
W.O.
|
Wi :
meten en metend rekenen
|
Fr :
schrijven
|
Wi :
getallenkennis en bewerkingen.
|
Nederlands
: dictee
|
Ne :
luisteren
|
Wi :
meetkunde
|
Fr :
luisteren
|
Fr :
lezen + spreken
|
Nederlands
: begrijpend lezen + tbs + spelling : t.t. en v.t. +...
|
Geen opmerkingen:
Een reactie posten